Prieeltje

Op weg naar het Beatrixpark, liepen Barney en ik langs een statig huis. Het heeft
schattige ronde balkonnetjes en aan weerszijden aangebouwde serres. Ik heb een
theorie dat huizen waar veel aan wordt verbouwd, worden bewoond door mensen met
een ongelukkig huwelijk of door mensen die zich vervelen. Want wees nou eerlijk, je
leven wordt echt niet wezenlijk anders met weer een nieuwe keuken of een extra
uitbouw. Toen ik het huis passeerde zag ik voor het eerst dat er in de tuin een oud
prieeltje stond. Er leek een lichtje te branden, dus ik werd nieuwsgierig. Wie zit er
midden in de winter in een prieeltje? Misschien was het een mancave in een prieeltje?
Toen ik het hek voorzichtig openduwde, bedacht ik dat ik kon zeggen dat Barney was
ontsnapt en naar binnen was gerend, als er een alarm af zou gaan. In het prieeltje zat
een oude dame in haar ochtendjas. Toen ze me zag wenkte ze vriendelijk. We dronken
samen thee. Het was er ijskoud, dus het had iets knus wintersportachtigs. Ik toverde
een bonbon uit mijn zak, want die heb ik altijd bij me voor als het nodig is. We spraken
nergens over, soms zijn woorden zo onbenullig. We zaten daar gewoon lekker samen en
aten onze bonbons. De dag erna stond het huis te koop. Op Funda zag ik helemaal geen
prieeltje in de tuin. Wel dat twee Japanse mannen in het huis hadden gewoond.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *