Gisteren is de enorme boom voor mijn huis geveld. Ik verwacht dat mijn eigen
euthanasie met wat minder lawaai gepaard gaat, alhoewel die enorme kettingzagen,
versnipperaars en hoogwerkers het drama wel onderstrepen. En de emoties wat naar
de achtergrond drukken, want mán wat een herrie. Het was een machtig project om
gade te slaan. De vier mannen die eraan hebben gewerkt waren misschien wel het
warmste team dat ik ooit heb gezien. Ze waren heel rustig, alsof het chirurgen waren.
Zijn die eigenlijk rustig? Ik ken er geen een, bedenk ik me nu. Ze stemden hun werk met
elkaar af via headsets die onder hun helm zaten. Ze glimlachten veel naar elkaar. De
boom werd met veel liefde omringt, dat was duidelijk. En de straat ook. Iedereen die
langsliep en er iets over wilde weten, werd vriendelijk te woord gestaan. Een buurman
kreeg een groot stuk boom om er een tafel van te maken. En alle vijftig keren dat ik voor
mijn raam verscheen om het even te bekijken, kreeg ik een lieve glimlach en een
schouderophaal, die seinden ‘ja, wij begrijpen dat dit heftig voor je is, maar we doen er
alles aan om zijn lijden te verzachten’. Vanochtend kwamen ze de laatste drie meter
grote stam nog afzagen. En net toen ze bijna weg reden ben ik naar buiten gerend met
Barney. In mijn pyjama. ‘Kun je alsjeblieft een foto van me maken met de boom?’. En
natuurlijk wilden ze dat doen. ‘Ik heet Saaf,’ zei de aanvoerder van het team. ‘Coole
naam’ zei ik, terwijl ik op de stam ging zitten. ‘Ik heet trouwens Jacha’. Hij maakte een
paar foto’s, waarop ik eruit zie zoals mensen eruit zien van boven de 50 die net wakker
zijn. ‘Dankjewel Saaf’. ‘Dag Jacha, misschien zien we elkaar nog eens’. Dag boom.
