Wat is een hondje toch een vreemd verschijnsel. Voordat Barney de buurt lieveling
werd, was ik echt even aardig en oprecht geïnteresseerd in andere mensen als nu. Als je
het goed bekijkt zou ik zelf prima in aanmerking komen om buurtlieveling te zijn. Maar
nee, alleen via Barney lukt het me om in contact te maken met een buurvrouw waar ik
een beetje bang voor ben, omdat ze altijd dronken is of lijkt. Of met Tiny, die ik al jaren
met haar rollator dagelijks hier heen en weer zie schuiven. Als Tiny lekker met haar
dagbestedingsvriendinnen voor het bejaardenhuis zit te roken, wordt er zelfs vanaf de
overkant van de straat naar ons geroepen en gezwaaid. Ik zwaai met grote armgebaren
terug, want…. Barney. Ze lijkt een soort alibi om super aardig voor elkaar te zijn. Om
elkaar luid roepend te begroeten. Om wat langer met elkaar te praten. Ik geniet er
enorm van, al deze buurtspontaniteit. Het is me zelfs gelukt om een gesprekje aan te
knopen met de Oekraïense vluchteling die stokoud is en eruitziet alsof ze van een
toendra is geplukt. Totaal ontheemd. Ze scharrelt wat rond bij het opvanghotel, altijd
langs een muurtje, want ze loopt zeer moeizaam. Door Barney kwam ik in gesprek met
haar, terwijl wij in de verste vertes elkaar talen niet spreken of verstaan. Het gesprek
duurde best lang, we waren allebei in een avontuurlijke bui. Ik denk dat we hebben
gepraat over haar hondje dat niet meer leeft. Dat dat hondje nooit mensen in zijn
gezicht likte of tegen mensen opsprong. En dat ze Barney een leuk vrolijk hondje vindt.
Het was leuk, ze zág mij en Barney, en ik zag haar. Misschien is Barney wel een soort
engel. Of zijn we als buurt allemaal Barney’s Angels.
